60 jaar Molukse wijk: het vervolg

Moerdregt blikt terug op 60 jaar Moluks leven in Moordrecht

In aansluiting op de vorige editie staat ook het oktober-nummer van Moerdregt uitgebreid stil bij 60 jaar Moluks leven in Moordrecht. Het juni-nummer beschreef vooral de aanloop van de komst van de Molukkers naar ons dorp. Nu komen vooral hun ervaringen en wederwaardigheden in Moordrecht aan bod.

‘Wauw, wat groot!’

Henk Thenu (1951) herinnert zich nog goed dat hij als kind voor het eerst de nieuwe woning in Moordecht binnenstapte. “Ik keek op en wauw, wat groot! En er is nog een trap ook.” Verry Patty: “Een rijtjeshuis met een eigen voor- en achterdeur, een voor- en achtertuin. Het verschil met barak 30 in Lunetten was immens.” Wijkgenote Jenny Matahelumual (1954) was aanzienlijk minder enthousiast. Zij had al snel heimwee naar de bossen en natuur in Vught. “In Moordrecht zag ik vooral beton.”

140 gezinnen betrekken nieuwe woonwijk

Zoals bekend bestaat de Molukse wijk dit jaar op de kop af 60 jaar. De wijk werd in 1961 betrokken door 140 gezinnen van het eiland Ambon en omgeving in de Molukken in het huidige Indonesië. De gezinnen waren in de jaren ’50 gerepatrieerd uit hun thuisland. Veel Molukkers hadden als militairen in het KNIL-leger gediend in de strijd tegen de Japanners en Indonesische nationalisten.

Voor Moerdregt interviewden Henk van Kerkhof en Jaap Waasdorp Molukse Moordrechtenaren over hun persoonlijke belevenissen en ervaringen in het dorp, onder wie Batha Suitela, Max de Keijzer, Max Perera, Henk Thenu, Jenny Matahelumual, Verry Patty en Joel Hitipeuw. 

In oktober verscheen het tweede themanummer van Moerdregt over 60 jaar Molukse wijk in Moordrecht.

Op basis van hun eigen onderzoek en de interviews beschrijven de Moerdregt-redacteuren de geschiedenis van de Molukse wijk van 1961 tot nu.

Wennen voor iedereen

Het was voor iedereen wennen in de jaren ’60: de Molukkers aan de Nederlanders en omgekeerd. Batha Suitela: “Maar ook onderling. Er kwamen mensen uit Vught en mensen uit Zeeland.” Er werd al snel een wijkraad gevormd die de belangen behartigde richting de overheid. En ook twee beveiligingskorpsen: Korps Pendjaga Keamanan en Korps Penjaga Lambang.

Pets met een lat

De meeste kinderen gingen naar de nieuw gebouwde christelijke Ambonschool aan de Weteringstraat, waar het er soms streng aan toeging. Jenny Matahelumual: “Als je nagels niet geknipt waren kreeg je een pets met een lat. Maar voor de rest… ja leuk! Met Koninginnedag werden we in klederdracht getogen en werd de zakdoekendans gedaan, de Menari. Dat wordt vaak gedaan bij welkomstdansen en ontvangsten. Dat vond ik mooi.”

1961: pas in Moordrecht aangekomen Molukse kinderen kijken toe bij werkzaamheden in de fonkelnieuwe woonwijk. Foto: Goudsche Courant.
Blik op het schoolplein van de Ambonschool aan de Weteringstraat.

‘Militaire’ opvoeding

Veel kinderen kregen een ‘militaire’ opvoeding. Jenny Matahelumual (1951): “Als je niet luisterde kregen de jongens slaag met de koppelriem (…)”. Henk Thenu: “Ik was ook wel bang voor mijn vader hoor, hij was streng. Velen waren bang voor hun vader.” Pas later begrepen de kinderen dat er ook veel verdriet en frustratie lag achter de hardhandige opvoeding. Ook de tweede generatie had het zwaar, de Molukkers die de komst naar Nederland als kind hadden meegemaakt. “Zij waren letterlijk het kind van de rekening.”

Vader naar de fabriek, moeder bleef thuis

De meeste vaders pendelden met een pendelbusje naar hun werk in de fabriek. De moeders bleven meestal thuis. Omdat de meesten geen Nederlands spraken, kwamen velen de wijk nauwelijks uit. Anderen gingen aan de slag bij de K.V.T. of de witlofkwekerij in Gouda. De kinderen speelden meestal op het centrale speelveld. Henk Thenu: “Het was toen levendiger in de wijk dan nu.” Autochtone Nederlanders kwamen zelden in de wijk. Meestal alleen de bakker, melkboer en groenteboer. Ook Arie Verweij uit Woerden was een graag geziene gast met zijn ingrediënten voor Indische gerechten.

Snoep kopen bij meneer Faas

Het artikel gaat ook uitgebreid in op het Molukse deelname aan het Moordrechtse verenigingsleven en hun toenemende integratie met dorpsgenoten buiten de wijk. “Later zwierven we ook wel door het dorp, een beetje verkennen. Toen had je veel winkels, meneer Faas, daar gingen we altijd wat snoep kopen. Hij had zo’n kruidenierswinkel op het dorp. En gitaar spelen op het gras aan de Ringvaart, dat was ook gezellig.” vertelt Max Perera.

In 1966 houden zo’n 800 Molukkers een protestmars tegen de executie van de voormalige president van de Zuid-Molukken, mr. dr. Chr. Soumokil. Foto: Goudsche Courant.
Optreden van de Oye Latu Band, met links Boy Latuheru en rechts Ezau Tahapary.

Stroeve verhoudingen

De verhoudingen tussen Molukkers en autochtone Nederlanders verliepen soms stroef. Sommige Molukse jongeren radicaliseerden zo zeer dat ze meededen aan de geruchtmakende gijzelingsacties in de jaren ’70. Ook jongeren die niets met de acties te maken hadden, werden hierop aangekeken. John Parera: “We reden in een busje naar een uitwedstrijd en we werden aan de kant gezet door de ME. Iedereen moest uitstappen en de voetbaltassen werden gecontroleerd. Jongens van pakweg 17 jaar die een potje gingen voetballen! Beangstigend, je weet niet wat je overkomt.”

FC Toma maakt furore

Veel Molukse jongens en jongemannen waren lid van de voetbalvereniging Moordrecht. In de jaren ’70 werd ook een eigen zaalvoetbalteam gevormd: FC Toma. Het team met bekende namen als Raymond Huka, Gerson Risamasu, en Faan en Stanley Pattiheuwean maakte landelijk furore in de hoogste klasse van de Nederlandse zaalvoetbalcompetitie. De Molukse wijk telde voorts vele muziekbandjes, waaronder de Boys, Volunteers, Boa, Esperanza en Amboina’s. En er was een Fluitorkest met maar liefst 40 fluitisten.

Perikelen rond Hoa Moa

Het artikel besluit met de perikelen rond het eigen cultureel centrum Hoa Moa in de jaren ’70, de belangrijke bemiddelende rol van burgemeester Ronald Bandell bij het sussen van de verhitte gemoederen, Tete Siahaya van de stichting Tiga Bantang Air, die zich inzet voor het herstel, behoud en ontwikkeling van het Molukse land. En als laatste het verhaal over de totstandkoming van het herdenkingsmonument Tugu Maluku, dat eer bewijst aan de eerste generatie Molukse emigranten.

Adri’s vader Adrianus Uitbeijerse achter een cocosmatten-getouw van de oude K.V.T.-fabriek aan de West Ringdijk.
Molukse vrouwen aan het werk in de weverij van de K.V.T. aan het Westeinde.

Herinneringen aan de K.V.T.

Moordrechtenaar Adri Uitbeijerse (1947) besluit het oktober-nummer van Moerdregt met een eigen verhaal over zijn belevenissen in de K.V.T.-tapijtfabriek. Hij werkte daar van 1961 tot en met 1972 op de cocosafdeling en later de wolafdeling. Eerst in de oude fabriek aan de Westringdijk (waar nu garage ’t Centrum staat) en later in de grote K.V.T.-fabriek aan het Westeinde.

Adri vertelt ook over de vele Molukse collega’s in de fabriek, die hem in de pauzes vertelden over hun tijd in het voormalige Nederlands-Indië. In 1972 vertrok Adrie bij de K.V.T. om aan de slag te gaan bij een nettenfabriek in Gouderak. 23 jaar later sloot de K.V.T. haar deuren.

Wilt u voortaan geen verhaal meer missen? Word dan snel lid van de Historische Vereniging Moordrecht. U ontvangt het historische magazine Moerdregt dan voortaan automatisch drie keer per jaar gratis in de bus.

> Lid worden